De vraag kwam na een artikel over de vraag hoe ontstaan conflicten. De ene opmerking leidde tot de andere en iemand gaf – terecht – aan dat niet dictators het probleem zijn, maar de vele blinde volgelingen. Het zijn immers die mensen die dictators macht verlenen. De volgende vraag was nog boeiender. Waarom volgen mensen dictators? Waarom volgen we mensen die door manipulatie of bruut geweld hun macht opleggen?
Omdat ik een goede vraag nooit kan weerstaan, dook ik erin. Hier dus een overzicht van wat wetenschap en filosofie te zeggen hebben over het waarom hiervan. Het is een lang stuk, zeer condens geschreven (het onderwerp is meerdere boeken waard). Voor wie zelf op onderzoek wil trekken, is er een wat langere litteratuurlijst aan toegevoegd. Zowat alles in die lijst kan u met enig zoekwerk vrij en gratis terug vinden.
Liever als .pdf? U kan deze weekens special hier gratis downloaden
De verleiding van het sterke leiderschap
“Geef mij één leider die orde schept.” In tijden van crisis of schijnbare wanorde klinkt dit refrein overal. In praatprogramma’s, aan de keukentafel, online. Toch schuilt er achter die wens een complex mengsel van emoties, identiteiten, instituties en media-ecosystemen. Aan de ene kant staan would-be autoritaire populisten die vooral met taal, emoties en vijandbeelden mobiliseren (zoals Donald Trump). Aan de andere kant staan klassieke autoritaire leiders die dezelfde psychologische wortels benutten, maar die vervolgens ook repressie, coöptatie en propaganda systematisch inzetten om aan de macht te komen en te blijven (zoals Vladimir Poetin). Het ene pad loopt via massapsychologie en electorale verleiding, het andere via het verstrengelen van legitimering, repressie en coöptatie in de staat zelf.
In dit artikel brengen we drie lagen bijeen—psychologische predisposities, collectieve dynamieken (media, identiteit, status), en institutionele instrumenten (propaganda, censuur, geweld). We zullen zien dat de redenen om te volgen vaak dezelfde zijn, maar dat het regime-type bepaalt hoe die redenen worden aangesproken: manipulatie en polarisatie aan de ene kant, brute onderdrukking en totale informatieregie aan de andere.
1) De psychologische voedingsbodem
1.1 De autoritaire aanleg en verwante drijfveren
Sinds Adorno e.a. na WOII The Authoritarian Personality publiceerden, zoeken onderzoekers naar stabiele psychologische profielen die ons ontvankelijk maken voor autoritair leiderschap. Adorno linkte conventionele waarden, onderworpenheid aan gezag en vijandigheid jegens “afwijkers” aan een zogenoemde F-schaal (F van “fascisme”). Dit was pionierswerk, methodologisch omstreden maar invloedrijk.
Robert Altemeyer bouwde hier later op voort met Right-Wing Authoritarianism (RWA): een meetbare combinatie van autoritaire onderworpenheid, autoritaire agressie en conventionele moraliteit. RWA voorspelt steun voor “law-and-order”-politiek, intolerantie van ambiguïteit en voorkeur voor ‘sterke leiders’ als men zich bedreigd voelt. Onderzoek toont dat verhoogde dreiging of onzekerheid RWA-effecten vergroot—relevant voor electorale contexten waarin ‘orde herstellen’ een kernframe is.
Een zusterconstructie is Social Dominance Orientation (SDO): de mate waarin mensen hiërarchische groepsverhoudingen en ongelijkheid wenselijk vinden. SDO correleert met steun voor harde out-group-maatregelen en met politieke keuzes die hiërarchie bestendigen. In combinatie met RWA biedt dit een krachtig profiel: volgzaamheid richting “eigen” gezag en hardheid jegens “anderen”.
Tot slot is er system justification: de neiging om het bestaande systeem te verdedigen, zelfs als dat je schaadt, omdat het psychologisch veiliger is te geloven dat de wereld in wezen rechtvaardig is. In tijden van onzekerheid versterkt dit de aantrekkingskracht van leiders die stabiliteit en normaliteit beloven.
1.2 Onzekerheid, angst en de belofte van helderheid
Michael Hogg’s uncertainty-identity theory stelt dat mensen bij identiteits-onzekerheid naar duidelijke, normatief strakke groepen en leiders trekken. Autoritaire leiders bieden precies dat: eenduidige normen, scherpe vrienden-/vijanden-schema’s en simpele oplossingen. In experimenteel en theoretisch werk vinden Hogg en collega’s dat onzekerheid steun voor autocratische leiders verhoogt.
Terror Management Theory (TMT) suggereert dat existentiële angst (bijv. door rampen, aanslagen of pandemieën) aanzet tot hechtere omarming van de eigen culturele waarden en “iconische” leiders. De literatuur is omvangrijk en niet onomstreden (replicatie-debatten), maar meta-analyses en reviews laten zien dat ‘mortality salience’ vaak voorkeur voor sterke leiders en harde out-group-standpunten vergroot.
1.3 Gehoorzaamheid en situatie-druk
Klassiek laboratoriumwerk herinnert eraan hoe ver mensen kunnen meegaan met gezag. Milgram toonde dat gewone deelnemers—onder instructie van een autoriteit—schijnbaar extreme ‘stroomschokken’ toedienden. Hoewel context en interpretatie belangrijk zijn, blijft de kernintuïtie: duidelijke bevelsketens en legitimiteitssymbolen kunnen conformisme dramatisch vergroten. (Het Stanford Prison-experiment werd later stevig bekritiseerd; het blijft een waarschuwing over rol-inductie, maar geen harde maatstaf.)
Samengevat: autoritaire aantrekkingskracht wortelt vaak in dreiging + behoefte aan orde. RWA/SDO, systeem-rechtvaardiging, onzekerheidsreductie en situationele gehoorzaamheid vormen de individuele “ontvankelijkheidskaart” waarop populisten en autocraten inspelen.
2) Van individueel naar collectief: identiteit, status en complotten
2.1 Statusdreiging en ‘culturele backlash’
Waarom sloeg autoritaire retoriek in 2016 zo aan bij een deel van de Amerikaanse kiezers? Diana Mutz’ analyse laat zien dat status-dreiging, niet pure economische malaise, het stemgedrag richting Trump het best voorspelde. Wie culturele en geopolitieke statusverlies ervoer, schoof naar de kandidaat die herstel van hiërarchie en grenzen beloofde. Pippa Norris en Ronald Inglehart spreken breder van een culturele backlash tegen decennia van liberale waardenverandering. Autoritaire populisten oogsten politiek rendement op dat ressentiment
Dat patroon is niet uniek voor de VS. In meerdere westerse landen zien we dat gevoelens van verlies van culturele dominantie belangstelling voor “sterk leiderschap” versterken, zeker wanneer mediaframes het gevoel van chaos, migratie-dreiging of moreel verval vergroten. Reviews in de politieke psychologie benadrukken steevast het samenspel van autoritarisme, SDO, vooroordelen en bedreigde identiteit.
Een woordje uitleg; SDO staat voor Social Dominance Orientation.
Dat is een psychologisch construct ontwikkeld door Jim Sidanius en Felicia Pratto in de jaren ’90. Het verwijst naar de mate waarin iemand hiërarchie tussen groepen als natuurlijk en wenselijk ziet.
Mensen die hoog scoren op SDO:
- vinden dat sommige groepen nu eenmaal boven andere horen te staan,
- steunen ongelijkheid en machtsverschillen,
- hebben vaker negatieve attitudes tegenover minderheidsgroepen of migranten,
- verkiezen leiders en partijen die hiërarchie en ‘sterke orde’ beloven.
Mensen die laag scoren op SDO:
- streven eerder naar gelijkheid en inclusie,
- hebben meer empathie voor groepen die onderdrukt worden,
- steunen beleid dat ongelijkheid vermindert.
In het kader van jouw essay over dictators is het belangrijk omdat hoge SDO-scores samen met RWA (Right-Wing Authoritarianism) vaak voorspellen wie gevoelig is voor autoritaire leiders. RWA gaat meer over gehoorzaamheid en orde, terwijl SDO gaat over hiërarchie en dominantie.
2.2 Collectief narcisme en samenzweringsdenken
Onderzoek naar “collective narcissism” beschrijft groepen die hun grootsheid als onvoldoende erkend ervaren en daar buitenproportionele vijandigheid aan ontlenen. Zulke groepen zijn uiterst gevoelig voor retoriek over “respect” en “herstel van trots”—een herkenbare snaar in de communicatie van sterke-man-figuren. Dit hangt samen met samenzweringsdenken, dat epistemische, existentiële en sociale behoeften bedient. Het belooft simpelheid, controle en een zuiver ‘wij’, en voedt wantrouwen jegens instituties en out-groups. Enkel wij kennen de waarheid. Wat uiteindelijk wordt; wie onze waarheid zal ontkennen is een vijand.
2.3 Propaganda als morele framing
Filosofen en sociale psychologen tonen hoe propaganda werkt als morele en epistemische vervuiler: ze doet beroep op idealen (vrijheid, veiligheid, waarheid) terwijl ze die idealen net ondermijnt door misleiding, emotionele priming en systematische “anderen-making”. Vrijheid van meeningsuiting wordt beperkt tot de vrijheid ‘onze’ mening te uiten.
Jason Stanley’s analyse is hier toonaangevend. Propaganda reduceert empathie en sluit rationeel debat kort. In de praktijk combineren populisten dog whistles, herhaling, simplificatie en vijandbeeld-verticalen met algoritmisch versterkte media-ecosystemen.
Samengevat: wie al psychologisch ontvankelijk is, kan via statusangst, identiteitsmobilisatie en samenzweringsnarratieven in een informatie-cocon belanden waarin het ‘sterke’ leiderschap vanzelfsprekend en moreel juist voelt. Men hoeft niet meer na te denken, enkel de groepsideologie volgen volstaat om ‘moreel correct’ te handelen. En die groepsideologie wordt gestuurd door de ‘sterke leider’.
3) Twee paden naar macht: Trump (manipulatie & polarisatie) vs. Poetin (repressie & monomedia)
3.1 Het populistische pad (Trump)
Trump is geen dictator in institutionele zin, maar wel een autoritaire populist in de zin van Norris & Inglehart: hij claimt directe representatie van “het echte volk” tegen corrupte elites, daagt democratische normen uit (pers, rechtspraak) en gebruikt polariserende frames om een kern-achterban te consolideren.
Dat dit aansloeg, is consistent met onderzoek dat autoritaire predisposities—geactiveerd door dreiging—stemgedrag richting autoritaire kandidaten voorspellen. Studies over 2016 identificeerden RWA/SDO-profielen en statusdreiging hier duidelijk als de sleutel tot zijn overwinning tegen Hillary Clinton.
Cruciaal is dat dit pad afhankelijk is van democratische informatie-competitie: Trump’s opmars speelde zich af binnen een relatief vrije mediamarkt, met echo-kamers en desinformatie maar ook tegenspraak. De “volgzaamheid” rust hier primair op retorische mobilisatie, identiteit, en affectieve polarisatie, niet op almachtige staatspropaganda of systematische repressie. Alhoewel hij in zijn tweede termijn sterk inzet om ook daar vat op te krijgen.
3.2 Het autoritaire pad (Poetin)
Poetin illustreert het andere uiteinde: zodra hij politieke ruimte kreeg, bouwde hij—zoals de literatuur over autocratie voorspelt—op drie pilaren: legitimatie (nationale trots, stabiliteit), repressie (justitie, politie, FSB), en coöptatie (oligarchen, regionale elites). Deze pilaren verankeren elkaar en maken electorale competitie oneerlijk en maatschappelijke tegenspraak riskant.
Een spil is televisiepropaganda. Seminale studies van Enikolopov, Petrova en Zhuravskaya laten zien hoe toegang tot onafhankelijke zenders het stemgedrag beïnvloedde. Omgekeerd zagen we dat staatscontrole over tv politieke voorkeur structureel kan sturen. Recente analyses documenteren censuur en framing: succes wordt opgeblazen, tegenslag verhuld, en de oorlog in Oekraïne narratief gemasseerd.
Is steun voor Poetin “echt”, of gewoon angst? Methodologisch slimme lijst-experimenten suggereren dat hoge peilingen grotendeels reëel zijn—zij het dat voorkeurvervalsing bestaat en in oorlogstijd kan fluctueren. Dat is belangrijk: zelfs zonder totalitaire terreur kan gecoördineerde propaganda + selectieve repressie substantieel échte steun oogsten, zeker als die steun identiteit, veiligheid en grandeur belooft.
Kortom: waar Trump vooral volgers mobiliseert via identiteit en ressentiment in een open (maar vervuilde) infosfeer, produceert Poetin volgers via systeemcontrole: hij stuurt informatiestromen, koopt of bedreigt elites, en verlaagt de kosten van conformeren en de prijs van tegenstand wordt angstwekkend hoog opgedreven (gevangenschap, moord…).
4) Waarom mensen blijven volgen—zelfs als de realiteit knelt
4.1 Cognitieve sluiting, groepsloyaliteit en “preference falsification”
Sterke leiders bieden cognitieve sluiting: één verhaal, één vijand, één oplossing. In gesloten of gevaarlijke contexten loont loyaal gedrag sociaal en materieel. Econoom Timur Kuran beschreef hoe mensen publiek iets uitdragen dat zij privé niet (helemaal) geloven—dit noemen we preference falsification—waardoor regimes stabiel lijken tot er plotselinge omslagen komen (bijvoorbeeld in economische omstandigheden of in de heersende sociale consensus). Dit mechanisme werkt in democratieën (online groepsdruk) én in autocratieën (sancties op dissent).
4.2 Propaganda + emotie > feiten
Propaganda werkt niet enkel door leugens, maar door zaken moreel en identitair te kaderen. Stanley laat zien hoe “ondermijnende propaganda” taal van vrijheid en veiligheid kapen kan om juist vrijheid en veiligheid te beperken. Pratkanis & Aronson beschrijven al jaren de ‘everyday’ persuasion-trucs—herhaling, schijnconsensus, autoriteitsappeal—die in massapolitiek enorme sprongen maken. Combineer dat met sociale-media-architectuur en je krijgt permanente mobilisatie met lage epistemische drempel.
Ter verduidelijking; een lage epistemische drempel is simpel, gemakkelijk te begrijpen en voelt meteen aannemelijk, ook al klopt het niet altijd. Met andere woorden iets wat vlot bekt, geloofwaardig klinkt maar zelden correct is.
4.3 Samenzweringen als lijm
Conspiracy-narratieven houden coalities en groepen bijeen. Ze verlenen epistemische eenvoud (“zij hebben het gedaan”), existentiële controle (“wij zien de waarheid”), en sociale superioriteit (“wij zijn de wakkeren”). Empirisch is aangetoond dat blootstelling aan samenzweringstheorieën vertrouwen in instituties verlaagt en bereidheid tot anti-systeemgedrag vergroot—een goudmijn voor sterke-man-politiek.
5) De instrumentenkist van autoritaire macht
5.1 Legitimering, repressie, coöptatie (het autocratische “tri-pod”)
Het werk van Johannes Gerschewski vat samen hoe duurzame autocratie rust op drie pijlers:
- Legitimering: prestaties (economische groei, orde), identiteitsverhalen (natie, traditie), rituelen (parades, verkiezingen).
- Repressie: selectief (afschrikking) of massaal (terror), gericht op oppositie, media, civiele maatschappij.
- Coöptatie: elites en sleutelsectoren krijgen voordelen in ruil voor loyaliteit.
De kracht schuilt in de onderlinge versterking: succes op één pijler vergroot de effectiviteit van de andere twee.
5.2 Media als sleutelvector
In Rusland toonde de natuurlijke variatie in tv-dekking (NTV) dat toegang tot niet-gecontroleerde media reële politieke effecten had; omgekeerd betekent centralisatie van media permanente framing-overmacht. Verwante studies in andere landen (bv. Venezuela) vinden vergelijkbare patronen. De les is eenvoudig: wie informatie-monopolies bouwt, kan populariteit maken en breken.
5.3 Gehoorzaamheid en normalisering
Als autoritaire kaders eenmaal staan, zorgen bureaus, uniformen en procedures voor een aura van legitimiteit. Milgram’s bevinding dat burgers gehoorzamen aan gezag dat als legitiem verschijnt, blijft een ongemakkelijke waarschuwing. In combinatie met staatsmedia en repressie verschuift de “normale” bandbreedte van gedrag en wordt wat vroeger ondenkbaar was normaal.
6) Voorbeeldkaders: wat volgt wie, en waarom?
6.1 Wanneer “manipulatie” genoeg is
In pluralistische systemen blijkt statusdreiging + autoritaire predisposities + polarisatie vaak voldoende om grote blokken achter één leider te scharen—zonder dat censuur of geweld nodig is. De Cultural Backlash-these verklaart waarom vooral kiezers die cultureel verlies ervaren zo gevoelig zijn voor “restore greatness”-frames. De RWA/SDO-literatuur verklaart waarom juist orde, strengheid en hiërarchie scoren.
6.2 Wanneer brute middelen beslissend worden
Waar regimes media, rechtspraak en veiligheidsdiensten beheersen, kan dezelfde psychologische voedingsbodem worden aangevuld met structurele dwang. Poetin’s systeem laat zien dat coherente propaganda + selectieve repressie niet alleen de oppositie schaadt, maar ook échte steun kan cementeren—precies omdat succesverhalen en nationale trots een geloofwaardig alternatief bieden voor onzekerheid en statusangst. Lijst-experimenten laten het zien: niet alles is angst; een substantieel deel is (gemanipuleerde, maar daarom niet minder echte) overtuiging.
7) Hoe breek je het? Tegenmiddelen en kwetsbaarheden
7.1 Verminder onzekerheid, verhoog waardigheid
Als onzekerheid autoritaire steun vergroot, dan is beleid dat existentiële onzekerheid verlaagt—economische buffers, voorspelbaar bestuur, responsieve dienstverlening—ook een antidotum. Evenzeer werken waardigheid en erkenning denormaliserend op ressentiment: wie zich gezien voelt, zoekt minder vaak toevlucht tot harde identiteitsverhalen. Dit sluit aan bij Hogg’s onzekerheidskader en Josts systeemrechtvaardiging: geef mensen echte voorspelbaarheid en rechtvaardigheid, niet enkel slogans.
7.2 Open, weerbare informatie-ecosystemen
Empirie uit Rusland (en elders) leert dat alternatieve, betrouwbare media daadwerkelijk gedrag veranderen. Dat impliceert investeren in mediapluralisme, platformarchitectuur die kwaliteit beloont, en digitale geletterdheid. Propaganda werkt het best in informatieschaarste; concessies aan pluralisme—hoe klein ook—kunnen vaak onevenredig grote effecten hebben.
7.3 Normen, instituties, rechtsstaat
Waar populisten de grens met autoritarisme testen, zijn procedurele waarborgen (onafhankelijke rechtspraak, federale checks, robuuste persvrijheid) geen luxe, maar infrastructuur tegen de glijbaan. Democratie sterft zelden met een knal; ze erodeert met kleine normbreuken. Het tegengif: transparantie, handhaving en een politieke cultuur die verlies accepteert.
Denk even aan ‘they stole the election’, een leugen die jarenlang volgehouden wordt krijgt de schijn van waarheid. Wanneer vervolgens de ‘sterke leider’ gaat bepalen welke pers mag verschijnen, wie nieuws mag presenteren… We zien het voor onze ogen gebeuren in wat we ooit de ‘grootste democratie ter wereld’ noemden.
7.4 Conspiracies ontkoppelen
Aangezien samenzweringsdenken vertrouwen uitholt, werkt louter feiten checken vaak niet. Effectiever zijn prebunking (weerbaarheid vooraf), narratieve correcties die identiteit respecteren, en sociale alternatieven waar erkenning níet afhangt van complotten. De psychologische literatuur benadrukt: motiveer epistemische bescheidenheid, niet beschaming.
8) Conclusie: de constante belofte van orde
Mensen volgen (would-be) dictators niet omdat zij irrationeel zijn, maar omdat sterke leiders rationeel inspelen op diepliggende menselijke behoeften: orde, zekerheid, erkenning, betekenis. In open samenlevingen gebeurt dat met woorden, frames en polarisatie; in gesloten systemen worden daar knuppels en knoppen aan toegevoegd—repressie en informatiecontrole.
De psychologische literatuur (RWA, SDO, systeemrechtvaardiging, onzekerheids- en angsteffecten) verklaart wie vatbaar is en wanneer. De politieke wetenschap (legitimatie, repressie, coöptatie; media-effecten) laat zien hoe regimes die vatbaarheid scoren en bestendigen. Het ongemakkelijke slot: zolang onzekerheid, status-dreiging en informatievervuiling blijven, zal de belofte van orde altijd politiek kapitaal zijn. De opdracht voor democratieën is dus niet alleen beter te overtuigen, maar vooral beter te organiseren: voorspelbaar, waardig, en waarachtig genoeg om de verleiding van het “één hoofd, één waarheid” te laten verbleken.
U kan deze en andere weekend specials steeds gratis downloaden via deze pagina
Geselecteerde bronnen (voor wie verder wil lezen)
- Adorno, T. W., Frenkel-Brunswik, E., Levinson, D., & Sanford, N. (1950). The Authoritarian Personality. Harper.
- Altemeyer, B. (1996/2006). Right-Wing Authoritarianism; The Authoritarians.
- Sidanius, J., & Pratto, F. (1999). Social Dominance: An Intergroup Theory of Social Hierarchy and Oppression. Cambridge University Press.
- Jost, J. T. (2004). “A Decade of System Justification Theory”. Political Psychology.
- Hogg, M. A. (2007/2013/2014). Uncertainty-Identity Theory (
- Mutz, D. C. (2018). “Status threat, not economic hardship, explains the 2016 vote”. PNAS.
- Norris, P., & Inglehart, R. (2019). Cultural Backlash: Trump, Brexit and Authoritarian Populism. Cambridge University Press
- Pettigrew, T. F. (2017). “Social Psychological Perspectives on Trump Supporters”. Journal of Social and Political Psychology. (Review.)
- Stanley, J. (2015). How Propaganda Works. Princeton University Press. (Overzicht + recensies.)
- Douglas, K. M., Sutton, R. M., & Cichocka, A. (2017/2019/2023). Overzichtsartikelen over de psychologie van complottheorieën.
- Milgram, S. (1963). “Behavioral Study of Obedience”. Journal of Abnormal and Social Psychology. (
- Gerschewski, J. (2013). “The three pillars of stability: legitimation, repression, co-optation”. Democratization.
- Enikolopov, R., Petrova, M., & Zhuravskaya, E. (2011). “Media and Political Persuasion: Evidence from Russia”. AER.
- Frye, T., Gehlbach, S., Marquardt, K., & Reuter, O. J. (2017). “Is Putin’s Popularity Real?” Post-Soviet Affairs (list-experiment).

Geef als eerste een reactie